Verslag Festival Gebroeders van Limburg

Festival Gebroeders van Limburg
Nijmegen, stadscentrum, zaterdag 27 en zondag 28 augustus 2016

Door Jacqueline Wessel

Dit jaar stond Nijmegen het laatste weekend van augustus uitgebreid stil bij de 600ste sterfdag van haar beroemde zoons Paul, Herman en Johan van Limburg. Riddergevechten, oude ambachten, verhalenvertellers en een briesende en vuurspuwende Draak van Gelre, maar ook theatervoorstellingen en lezingen waarin de Zwarte Dood dit jaar een prominente rol speelde, voerden de duizenden bezoekers voor even mee terug naar het hertogdom Gelre van de tweede helft van de 14de en de eerste helft van de 15de eeuw.

Traditiegetrouw waren op dit festival ook de Medisch-Historische Club D. de Moulin en enkele vertegenwoordigers van WEMAL van de partij om de artes-zijde van het tijdsgewricht onder de aandacht te brengen.

Aldrik Nielander: Het leven is het voorportaal van de dood, daarna komt de eeuwige zaligheid… of wacht hel en verdoemenis
Aan Aldrik Nielander, internist, de eer om op zaterdagmiddag 27 augustus 2016 het spits af te bijten met zijn lezing over het middeleeuwse wereldbeeld rond leven en sterven.

De middeleeuwse mens ziet het leven als een cyclus, vertelt Nielander. Deze cyclus bestaat volgens sommigen uit vier fasen en voor anderen uit 7 of zelfs 10 fasen. In welke fase van het leven we ons bevinden wordt niet aan de klok gemeten, maar wordt maar zo’n beetje ‘ingeschat’. Dat wil overigens niet zeggen dat de middeleeuwse mens geen besef van leeftijd heeft. Zo zijn van bijvoorbeeld Nicolas Rolin (kanselier van Filips de Goede; 1376-18 januari 1462) en Hildegard von Bingen (abdis en mystica; 16 september 1098-17 september 1179) geboorte- en sterfmomenten bekend. In de loop van de 15de eeuw worden geboortedata door alle lagen van de bevolking heen steeds vaker geregistreerd. Niet alleen ten behoeve van kerkelijke en grootstedelijke administraties, ook om reden van de gezondheidszorg. De elementen en lichaamssappen waaruit de mens is opgebouwd bepalen immers samen met de planetenstand karakter- en gezondheidsaspecten van de mens. Dit maakt dat het trekken van geboortehoroscopen gezien wordt als een belangrijk onderdeel van de medische diagnostiek.

Naast de planetenstand spelen natuurlijk ook andere zaken een rol wanneer het gaat om de gezondheid van de middeleeuwse mens. Pestepidemieën, tuberculose en allerhande andere besmettelijke ziekten, maar ook hongersnood, arbeidsongevallen, huishoudelijke ongevallen, zwangerschap, bevalling, kraambed… je kan er zo maar aan komen te overlijden. 20 tot 30% van de bevolking overlijdt voor het zevende levensjaar. En dat geldt, interessant genoeg, voor alle lagen van de bevolking. Aan de andere kant: haal je in deze periode eenmaal de twintig, dan haal je de vijftig ook wel. In de periode 1350 tot 1400 is zelfs één derde van de leden van het Engelse parlement ouder dan zestig jaar.

Ook de pest (althans de eerste golf) treft alle bevolkingslagen en alle leeftijdsgroepen gelijkelijk. De ziekte wordt veroorzaakt door een bacterie, de yersinia pestis, die wordt overgebracht via het bloed. De bacterie wordt door vlooien opgezogen bij ratten en ontwikkelt zich vervolgens in het maag-darmkanaal van de vlo. Zijn er geen ratten voorhanden, dan stapt de vlo over op mensen. Een besmette vlooienbeet (vaak in het been) zwelt op en geeft een forse buil.

De pestbacterie van de eerste pestgolf komt waarschijnlijk uit Ethiopië. De tweede golf komt met de Mongolen mee uit Azië. Mongoolse strijders brengen de bacterie naar Kaffa, waar ze de lijken van hun pestlijders over de muur van de bezette stad gooien. Voor de ziekte vluchten is eigenlijk niet mogelijk: een boot gezonde vluchtelingen kan zomaar binnen 8 tot 14 dagen (incubatietijd) veranderen in een spookboot met alleen nog stoffelijke overschotten aan boord… Via de handelsroutes verspreidt de ziekte zich vervolgens verder. Na verloop van tijd – wanneer de ziekte een meer cyclisch karakter krijgt en zo ongeveer iedere tien jaar wel ergens opduikt – overlijden vooral nog kinderen en jongeren aan deze ziekte. Van grote pestepidemieën is dan geen sprake meer. Overlevenden van eerdere pestepidemieën ontwikkelen langzaamaan immuniteit voor de ziekte en wanneer zich eenmaal een voldoende grote kring van beschermden vormt, worden uiteindelijk ook de kwetsbaren beschermd (dit is ook het idee achter onze moderne vaccinatieprogramma’s). Maar pas op: te vaak nog denken we dat de pest een middeleeuws fenomeen is. Ook nu nog overlijden er elk jaar zo’n 500 tot 1.500 mensen aan de pest. Er zijn zelfs gebieden waar de pest endemisch is, dat wil zeggen gebieden waar de bewoners de bacterie wél in zich dragen, maar waar zij er niet ziek van worden. Gelukkig is de pest tegenwoordig zeer eenvoudig te behandelen.

De pest neemt aan de ene kant levens, maar biedt aan de andere kant ook nieuwe levenskansen. Aan de middeleeuwse boeren, bijvoorbeeld. Doordat een deel van de overbevolking wordt weggenomen en arbeid schaarser wordt, stijgen de prijzen voor landbouwproducten. Boeren krijgen het beter en de levensverwachting voor kinderen op het platteland in de leeftijd zeven tot tien jaar begint te stijgen.

De levensverwachting van leden van de adel wordt voor een deel bepaald door factoren als oorlog en politieke strijd. Door kwalitatief betere en gevarieerdere voeding, maar ook door het lichamelijk minder zware werk hebben de rijkere kringen in vredestijd wel een voorsprong op de minder gefortuneerden.

Kortom: de middeleeuwse mens wordt gemiddeld ouder dan wij vaak denken. En hoewel kwalitatief goede en gevarieerde voeding een belangrijke rol speelt wanneer het om gezondheid en levensverwachting gaat, liggen juist in de kringen waar daar geen gebrek aan is weer andere bedreigingen op de loer. Zo is juist in de betere kringen het risico om het leven te komen door oorlog en geweld weer hoger dan elders. De pest, ten slotte, mag de boeken in als de grote kindermoordenaar.

Het nuttige en het aangename
Tussen de lezingen door is er uiteraard ruimte voor een stukje (ont)spanning en sensatie: de presentatie van doctor medicinae Nielander wordt ruw onderbroken. Er wordt een ‘spoedje’ binnengebracht. De oude man is op de markt door drie of vier onverlaten overvallen. Zij hebben hem met een knuppel op zijn hoofd geslagen en toen hij bijkwam was hij een beurs armer en een enorme bult rijker. Omstanders zijn nu op zoek naar een chirurgijn die de nood kan lenigen. De patiënt wordt zonder verdere plichtplegingen met armen en benen vastgebonden aan de behandelstoel zodat de chirurgijn een gat in de schedel kan boren om vervolgens met behulp van een elevatorium het losse botfragment te verwijderen. Dit zal in elk geval de druk op de hersenen verlichten…

Genezing kan in de Middeleeuwen ook buiten de doctor medicinae en de chirurgijn gevonden worden. Zo krijgt Lutgard van Tongeren, kloosterzuster in Aywières, een wanhopige moeder en haar zieke dochter op bezoek. Lutgard laat zien dat de liefde Gods ook een eenvoudige non tot ‘medisch instrument’ kan maken wanneer zij het aan de vallende ziekte lijdende meisje met een eenvoudige zegening geneest.

Drs. Meeuwes Pool: Manuscriptschilder: een gezond beroep? Kleurstoffen en vergiftiging
Meeuwes Pool, arts, staat in zijn lezing stil bij de gezondheidsrisico’s die het werken met kleurstoffen met zich mee brengt.

Manuscriptschilder: geef toe, dat klinkt niet echt als een heel gevaarlijk beroep. Dat blijkt in de praktijk echter behoorlijk tegen te vallen. Pool schetst aan de hand van miniaturen van de gebroeders Van Limburg de gezondheidsrisico’s die het werken met kleurstoffen in de Middeleeuwen met zich meebrengt. We weten dat miniatuurschilders zoals de gebroeders Van Limburg gewoon waren hun eigen verf te maken (al adviseert Cennino d’Andrea Cennini zijn vakbroeders dringend hun verf bij de apotheek te halen), maar hoewel er in de Middeleeuwen tal van receptenboeken geschreven zijn – denk aan Theophilus’ Schedula diversarum artium (11de – 12de eeuw), Ceninno d’Andrea Cennini’s Il libro dell’arte (14de – 15de eeuw) en de De arte illuminandi (14de eeuw) – blijft het inschatten van de precieze gezondheidsrisco’s bij de bereiding en het gebruik van verf lastig. Zo weten we onvoldoende over de precieze bereidingswijzen, worden grondstoffen bij namen genoemd die ons nu niets meer zeggen en worden mogelijk ook grondstoffen gebruikt die niet meer bestaan.

De De arte illuminandi, een beroemd veertiende-eeuws traktaat over de techniek van het illustreren van handschriften, wordt kort vóór de geboorte van de gebroeders Van Limburg geschreven. In deze verhandeling wordt gesproken van de volgende noodzakelijke kleuren: wit, roze, blauw, zwart, rood, paars, geel en groen.

Constantinus Africanus, Theorica Pantegni; handschrift Helsinki, National Library of Finland, Cod. 1 (Eö.II.14):

Loodwit
De witte verf noemen wij nu ‘loodwit’. Loodwit is uiterst giftig en is tegenwoordig dan ook verboden. Het wordt in miniaturen vooral gebruikt als ondergrond, om andere kleuren op te halen bijvoorbeeld of om een goede hechting van goud te krijgen. Uiteraard wordt het ook gebruikt om in combinatie met rood roze te mengen. Loodwit wordt gemaakt door loodtabletten in een afgesloten pot boven wijn of azijn te hangen. Die pot wordt in paardenmest gezet en onder invloed van de zuren en de warmte wordt het loodtablet langzaam zacht. Het zachte buitenlaagje wordt afgeschraapt en de rest van het tablet gaat weer terug in de pot. Veelvuldig gebruik van loodwit veroorzaakt zowel chronische klachten (vermindering van de coördinatie, apathie, een bleek, grijs gelaat, afnemende weerstand) als acute klachten (buikkolieken, stuipen, waanbeelden, coma, etc.). De gevaren van loodwit zijn tijdens het leven van de broers overigens al bekend uit de werken van Paulus van Aegina (Grieks-Byzantijnse arts; 7de eeuw), Avicenna (Perzische arts; 10de – 11de eeuw), Constantinus Africanus (arts en docent aan de befaamde Schola medica Salernitana; 11de eeuw) en vele anderen.

Vermiljoen
Vermiljoen, een helder rood pigment, komt in de natuur voor als het mineraal cinnaber. Aan de productie van vermiljoen komen zwavel en kwikdampen te pas en het gevaar van dit pigment zit dus vooral in de blootstelling aan kwikdampen. Kwikvergiftiging wordt al beschreven bij Plinius (1ste eeuw n. C.) en Dioscorides (Griekse arts; 1ste eeuw n.C.). Het veroorzaakt roodheid, tintelingen, emotionaliteit, geheugenverlies en etterende wonden in de lichaamsholtes.

Lapis lazuli en indigo
De kleur blauw wordt geproduceerd door ultramarijn (een zwavelhoudend composiet, ook wel bekend als lapis lazuli) te stampen, te vermalen en keer op keer te kneden met hars, gom en was, waarna de kleurstof wordt uitgewassen met loog. De lapis lazuli maakt dit tot een buitengewoon dure kleurstof die alleen voor belangrijke personen in miniaturen (zoals de Maagd én de hertog) gebruikt wordt. Blauwe kleurstof kan trouwens ook worden verkregen door de bladeren van de wede in urine te laten gisten. Om de enorme urinestank is de productie van indigo in de Middeleeuwen wel aan strikte regels gebonden (zoals dat ook het geval is bij de leerlooiers en de vollers). Indigoblauw wordt vooral voor ‘mindere goden’ gebruikt.

Auripigment en lood-tingeel
Ook auripigment of orpigment is een natuurlijk product. Het mineraal auripigment bevat een combinatie van arseen en zwavel (arseensulfide) en geeft een prachtige, diepgele kleur. Maar pas op: Cennini waarschuwt er al nadrukkelijk voor deze kleurstof vooral niet met de mond aan te raken! Hippocrates (Griekse arts; 5de eeuw v.C.), Plinius (zie boven), Galenus (Grieks-Romeinse arts; 2de eeuw n. C.), Giovanni da Vigo (Italiaanse chirurgijn; 15de – 16de eeuw), allen zijn zij bekend met de gevaren van arseenvergiftiging: wratten, buikpijn, diarree, bloedarmoede, verminderde weerstand, hartritmestoornissen, gevoelloosheid, verlamming, blindheid, krampen… Een alternatieve gele kleurstof is lood-tingeel, een hele stabiele kanariegele kleurstof, die gemaakt wordt door lood en tin te verhitten, waarbij weer heel schadelijke dampen vrijkomen.

(Koperhoudend) groen
Groen of koperhoudend groen wordt verkregen door koper boven wijn, azijn of urine te hangen en net als eerder bij het loodtablet ook hier het geërodeerde laagje af te krabben. Het pigment wordt vervolgens met behulp van wijn, eiwit, wijnruit en saffraan gebonden. De koper in het groen veroorzaakt allerhande maag-darmklachten, nierklachten, geelzucht en schade aan het zenuwstelsel.

Terug naar de miniatuur van de gebroeders Van Limburg. En ineens is alles anders geworden. Ineens zijn al die stralende kleuren veranderd in even zovele bronnen van allerhande dodelijke aandoeningen. Prachtig en van onschatbare waarde, zeker. Kunstwerken waar ooit een hoge prijs voor is betaald door de maecenas. Al werd de hoogste prijs voor al deze prachtige miniaturen uiteindelijk toch betaald door de handen die deze kunstwerkjes hebben gecreëerd.

Drs. Aafje Groustra: Begrafenisrituelen en memorie-missen
In de late middeleeuwen zijn godsdienstige uitingen en vroomheid vooral gericht op het lijden en het zoenoffer, aldus Groustra. Het Avondmaal wordt het belangrijkste moment in de eredienst en ommegangen met het Heilig Sacrament worden in korte tijd enorm populair. Het thema van Christus’ lijden wordt bovendien een geliefkoosd onderwerp in getijdenboeken, op glazen, etc.

In veel steden ontstaan in deze periode zogenaamde Sacramentsbroederschappen. De broederschappen bieden veiligheid en wederzijdse bijstand en worden voor de steden een symbool van stedelijke saamhorigheid. Alleen al in de Nijmeegse Stevenskerk zijn waarschijnlijk zo’n 27 broederschappen actief, waarvan er veertien met zekerheid aangewezen kunnen worden. Bij hun altaren worden niet alleen brood, haring en olie uitgedeeld, maar ook hemden en schoenen en soms zelfs geld. Uiteraard gaat ook het zielenheil, van leden en van overleden leden, de broederschappen zeer ter harte. Zo bezoekt de priester na het vieren van de mis met de levenden de graven van reeds overleden leden. Want ook daar draait het in de broederschap om: na de dood vooral niet vergeten te worden. Memoriemissen worden ingesteld voor schenkers, voor hun families of voor alle leden van de broederschap, om zo bevrijding uit het vagevuur te bespoedigen.

Dr. Hans van der Spek, Pestilentie, pestheiligen en de gebroeders Van Limburg
Op zondag 28 augustus, na een prachtige Blijde Incomste in de zinderende Nijmeegse zon, opent Hans van der Spek, neurochirurg in ruste, de middagsessie met een lezing over pestilentie en pestheiligen.

Pijlen/miasma’s, fresco uit de Abdij St.-André in Lavaudieu, Frankrijk; gedateerd 1355

De gebroeders Van Limburg leven in een tijd waarin pestuitbraken niets ongewoons zijn, legt Van der Spek uit. Zij zullen ze in hun leven dan ook wel gezien hebben, de pestlijders met hun zwarte vlekken en builen, hun hoesten, hun bloed opgeven… Wie je er ook op naslaat, iedereen beschrijft hetzelfde. En doden. Gigantisch veel doden. De oorzaak? Miasma’s, kleine deeltjes die door de lucht zweven en door de mens worden ingeademd. Deze miasma’s zijn in de lucht terechtgekomen door een ongunstige stand van de hemellichamen, menen middeleeuwse medici. Er is immers sprake van een uitzonderlijke conjunctie van drie planeten in Aquarius, bijna direct gevolgd door een zonsverduistering (20 maart 1345). De Kerk op haar beurt houdt het op de toorn van God. God en zijn engelen schieten pijlen af op de zondige mensheid. Daar waar de pijl de mens raakt ontstaan de pesttekenen. De Kerk ziet maar één oplossing: het leger van heiligen inschakelen. En een leger is het. Er zijn maar liefst 52 pestheiligen van wie in deze contreien vooral Rochus, Maria, Antonius Abt, Sebastiaan, Christoffel en Adrianus worden aangeroepen. Vier van deze heiligen zijn door de gebroeders Van Limburg in hun gebedenboeken afgebeeld: Maria bijvoorbeeld, die probeert de pestpijlen op te vangen, Sebastiaan die door pijlen wordt doorboord maar dit wonderwel overleeft, Christoffel die het Christuskind veilig naar de overkant draagt en daarmee de beschermer wordt van reizigers ín deze wereld en tussen deze wereld en de volgende, en Antonius Abt naar wie de verpleegorde van de Antonieters is genoemd.

Gebroeders en de litanie van Allerheiligen (Belles Heures du duc de Berry, hele fol. 74)

Wanneer de gebroeders Van Limburg in 1398 op voorspraak van hun oom Maelwael naar Parijs vertrekken, gaan zij bij een goudsmid in de leer. Twee jaar later raast de pest rond Parijs en voor hun eigen veiligheid stuurt de goudsmid de broers naar Nijmegen terug. In 1402 komen ze dan te werken voor de hertog van Bourgondië, Philippe le Hardi, en in 1404 voor de hertog van Berry. In zijn Belles Heures (1405-1409) wil de hertog van Berry graag ook een litanie van Allerheiligen opgenomen hebben. Deze litanie is ten tijde van de eerste pestepidemie ingevoerd en hoewel de gebroeders die eerste pestepidemie uiteraard zelf niet hebben meegemaakt hebben ze hierover mogelijk wel kunnen lezen. In Jacques de Voragine’s Légende dorée bijvoorbeeld, dat in de bibliotheek van de hertog staat. De Voragine heeft zijn verslag overigens weer overgenomen uit de Historia Francorum van Gregorius van Tours (6de eeuw), die het op zijn beurt weer van een ooggetuige heeft. In de miniaturenserie in de Belles Heures beelden de broers onder andere de processie uit waarbij volgens de verhalen ongeveer 90 mensen dood neervallen. Een lange stoet mensen, sommigen stervend op straat, anderen zich met een intens bleke gelaatskleur voortslepend, trekt op de miniatuur langs de Romeinse Engelenburcht. Op een volgende miniatuur zien we hoe de overledenen begraven worden, zonder kist inmiddels, want er is simpelweg geen hout meer. Wanneer de aartsengel Michael zijn zwaard weer in de schede steekt, is dat het teken dat de pestepidemie ten einde is.

In 1416 werken de gebroeders inmiddels aan de Très Riches Heures. In 5 weken tijd overlijden 50.000 mensen. Ook de hertog van Berry overlijdt, in juni, na een ziekbed van drie weken (hij overlijdt dus niet aan de pest). In zijn laatste momenten laat hij allerlei mensen aan zijn bed komen, terwijl een kamerheer constant aan zijn ziekbed staat. Niet één van de broers meldt zich aan het bed, terwijl zij toch zeer goed met de hertog bevriend zijn. Ook doet de hertog op zijn sterfbed geen schenkingen aan de broers. Aangenomen wordt dat Johan op dat moment zeker al is overleden. Herman en Paul mogelijk ook. En de Très Riches Heures? Die zijn onaf gebleven, opgeborgen in een kistje.

Drs. Karine van ’t Land, Bioarcheologie en de Zwarte Dood
Karine van ’t Land, arts en historica, is ook dit jaar hekkensluiter, ditmaal met een fascinerende lezing over bio-archeologie.

Bio-archeologie is de studie van menselijke skeletresten. Uit deze skeletresten valt steeds meer informatie te halen. Denken we in eerste instantie aan sporen van geweld en verwondingen, ook met betrekking tot slijtage en voeding valt uit het menselijk skelet veel informatie te verkrijgen.

Van ’t Land vertelt hoe tijdens een recente, grote opgraving in het centrum van Eindhoven (op de plek van de oude Catharinakerk) 750 intacte skeletten zijn opgegraven. Van nog eens 750 skeletten zijn losse restanten gevonden. Bij de bestudering van deze stoffelijke resten is er niet alleen veel aandacht uitgegaan naar de bestudering van gebitten (slijtage, glazuurproblemen door slechte voeding in de jonge jaren) en sporen van geweld (kogelgaten, zwaardhouwen, afweerverwondingen), maar is er ook uitgebreid forensisch DNA-onderzoek gedaan. Tijdens dat onderzoek is een toevallige mutatie ontdekt die bekend is uit Afrika. Daar beschermt de mutatie mensen tegen HIV. De eerste gedachte is dan ook dat deze mutatie misschien ontstaan is om mensen tegen de pest te beschermen. Verder onderzoek heeft inmiddels geleerd dat de mutatie ook al in de Bronstijd gevonden kan worden zodat nu wordt gedacht aan een mutatie ter bescherming tegen de pokken.

In 1346 wordt in een Tartaars legerkamp een ernstige ziekte geconstateerd. Alvorens zich terug te trekken slingeren de Tartaren hun doden nog even over de muren van het belegerde Kaffa en de rest is geschiedenis. In een tijdsbestek van 5 jaar sterven zo’n 30 miljoen mensen. Hoe heeft een bacterie waarvan we nu weten dat zij oorspronkelijk van een bergplateau in Tibet afkomstig is, zo ver naar het westen kunnen reizen? En hoe bestaat het dat een bacterie die in de Middeleeuwen zo’n slachting kan veroorzaken tegenwoordig wereldwijd nog zo’n 1.000 mensen per jaar velt? Onderzoek in een zogenaamde plague pit in East Smithfield (Londen) heeft aangetoond dat het genoom van de bacterie van het eerste moment tot nu bijna gelijk gebleven is (http://www.nature.com/news/2011/111025/full/478444a.html). Zou het klimaat een rol gespeeld kunnen hebben? Zo zou er in 1348 ‘iets’ met het weer aan de hand zijn geweest: de seizoenen zouden elkaar niet op de juiste manier opgevolgd hebben. Spelen hongersnoden, overstromingen en relatieve overbevolking een rol? Of is er misschien sprake van een wisselwerking met andere ziektes? Onderzoekers staan vooralsnog met lege handen. Van ’t Land tipt ambitieuze studenten: hier ligt een mooi, multidisciplinair promotieonderzoek!